Het friluftsliv - letterlijk het buitenleven - duidt op de Noorse gewoonte om ongestructureerde tijd buiten door te brengen: in de bergen, bossen, aan meren en langs de kust. De term komt van Henrik Ibsen (1859) en werd in de twintigste eeuw centraal gesteld door de filosoof Arne Naess. Vandaag is het verankerd in de schoolleerplannen en bepaalt het hoe de meeste Noren hun weekend invullen.
Wat friluftsliv onderscheidt van wat wij outdoorsport noemen, is het ontbreken van prestatie. Een friluftsliv-middag is geen training, niet geoptimaliseerd op afstand, hoogtemeters of fotos. In de kern is het een lange wandeling door vertrouwd bos met een thermoskan koffie en een pauze op een platte rots. De activiteit telt minder dan de ongefilterde tijd met weer en landschap.
Voor reizigers is friluftsliv de culturele achtergrond van elke serieuze Noorwegen-reis. Het DNT-huttennet, het recht van vrije toegang en de ernst waarmee het land zijn bergweerbericht runt, zijn allemaal uitingen van een cultuur die tijd buiten als basistoestand beschouwt, niet als luxe.